Wees zuinig op de genderzorg — Vasterman ontleedt het KZcG-antwoord

Het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie reageerde op de kritiek van Vasterman en Kuitenbrouwer. Vasterman las het antwoord en stelt vast: het centrum doet zelfonderzoek, vermijdt de term genderdysforie en ontkent de tienermeisjes-toename die in zijn eigen statistieken zichtbaar is.

Wie controleert de behandelaar?

Vastermans eerste bezwaar tegen de KZcG-reactie is principieel. "Het is geen onafhankelijk onderzoek, maar onderzoek dat wordt uitgevoerd door de behandelaars zelf." Het Amsterdamse genderbehandelteam — Steensma, De Vries, Cohen-Kettenis — publiceert zijn eigen behandeluitkomsten, beoordeelt zijn eigen protocol, en presenteert die zelfevaluatie als wetenschappelijke onderbouwing. In elke andere medische tak is dat ondenkbaar. Cardiologen evalueren geen eigen stentprocedures. Oncologen evalueren niet hun eigen chemoschema's. De gendergeneeskunde doet dat wel, en al een derde van een eeuw lang. Vasterman is in zijn brief uiterst beleefd, maar wat hij vraagt is wat in elke geneeskunde elementair is: laat buitenstaanders met methodologische expertise het werk beoordelen.

De terminologische manoeuvre

De KZcG-reactie spreekt consequent over "genderincongruentie" in plaats van over "genderdysforie". Het verschil lijkt klein, maar is enorm. Genderdysforie veronderstelt klinisch significant lijden — het distress-criterium dat in de DSM-5 staat en dat onderscheid maakt tussen klinische zorg en zelfidentificatie. Genderincongruentie laat dat criterium vallen. Wat overblijft is de eigen ervaring dat lichaam en identiteit niet overeenkomen, zonder de eis dat die ervaring lijden veroorzaakt. Daarmee verschuift het centrum stilletjes van een psychiatrische naar een identitaire framing. De behandelpoort wordt opengezet voor iedereen die zichzelf zo definieert. De diagnostische selectie die het oorspronkelijke Dutch Protocol nog kenmerkte, verdampt.

Tienermeisjes: het cijfer dat niet bestaat

Vasterman wijst op een verschuiving die het KZcG in zijn reactie afdoet als statistisch artefact. Het profiel van de aanmelders is in tien jaar tijd gekanteld: van overwegend mannelijke kinderen met vroege, persistente dysforie naar overwegend vrouwelijke adolescenten met een onset in de puberteit en vaak een ingewikkelde psychische voorgeschiedenis. Internationaal wordt dit erkend als een nieuwe, andere groep — Rapid Onset Gender Dysphoria, of in elk geval een fenomeen dat empirisch onderscheidbaar is. Het KZcG ontkent dat dit een wezenlijk andere groep zou zijn. Vasterman vraagt zich af waarom de instelling de eigen geslachtsverhouding-statistieken — die exact deze kanteling tonen — niet als onderzoeksvraag op tafel legt.

Het "lage uitvalspercentage" als bewijs

De KZcG-reactie noemt het lage percentage jongeren dat puberteitsremmers afbreekt als bewijs voor de zorgvuldigheid en effectiviteit van de behandeling. Vasterman draait het argument om: dat 96 tot 100 procent doorzet naar cross-sex hormonen is geen bewijs voor goede diagnostiek, maar bewijs voor het self-fulfilling karakter van de interventie. Puberteitsremmers veranderen het ontwikkelingstraject van de jongere zodanig dat terugdraaien sociaal, fysiek en psychisch nauwelijks nog een optie is. De peer group is intussen mee. De familie is mee. Het lichaam staat in een staat van ontwikkelingsstop. De "keuze" om door te gaan is geen vrije keuze meer. Het lage uitvalspercentage is dan ook geen kwaliteitssignaal — het is een waarschuwingssignaal.

"Reversibel" — het misbruikte woord

Het KZcG verdedigt puberteitsremmers met de claim dat ze reversibel zijn. Vasterman pareert: als de remmers tot voltooide blokkade van de puberteit leiden en als vrijwel iedereen doorzet naar cross-sex hormonen, dan is de feitelijke uitkomst irreversibel — onafhankelijk van de farmacologische theorie dat de stof zelf bij staken zou uitwerken. Een interventie meten op haar farmacokinetiek terwijl haar feitelijke uitkomst irreversibel is, is intellectueel oneerlijk. De claim van reversibiliteit is geruststelling voor ouders en jongeren, niet een wetenschappelijk verantwoorde karakterisering.

Wat onafhankelijke evaluatie zou moeten zijn

Vasterman sluit af met een concrete eis. De Nederlandse gendergeneeskunde moet zich onderwerpen aan dezelfde standaard die Zweden en het VK hebben toegepast: een systematische review door methodologen die niet zelf in de behandeltraditie staan. De Karolinska-kliniek deed dat. De Britse NHS deed dat met de Cass Review. Het resultaat in beide landen: drastische inperking van puberteitsremmers en cross-sex hormonen bij minderjarigen buiten strikt onderzoekskader. Vasterman vraagt de Nederlandse beroepsverenigingen niet om verbod, niet om demonisering. Hij vraagt om het minimum dat in elke geneeskunde geldt: onafhankelijke toetsing. Dat het KZcG die toetsing weert in plaats van verwelkomt, is het echte signaal dat zijn brief afgeeft.

Bron
Gebaseerd op "Een reactie op een reactie: Wees zuinig op de genderzorg" door Peter Vasterman, 31 december 2022. Origineel: vasterman.blogspot.com